Daarbij gaat het niet om één wondermiddel of één nieuwe techniek. Regeneratieve landbouw vraagt juist om een andere manier van kijken: naar de bodem, het gewas én de processen die daar een rol in spelen. Centraal staan twee praktijkonderzoeken, onderzoek naar winterharde groenbemestermengsels en onderzoek naar het effect van de vruchtwisseling op het bodemleven, met bijzondere aandacht voor aaltjes.
Niet het symptoom, maar het systeem
Regeneratieve landbouw draait om het herstellen en versterken van natuurlijke processen. Martijn van Vijfeijken van Vitaland vat die manier van werken samen als: eerst begrijpen wat er in de bodem en het gewas gebeurt en vervolgens proberen de processen binnen het systeem beter te laten functioneren. Niet alleen een zichtbaar probleem bestrijden, maar zoeken naar de oorzaak ervan.
Daarbij hangt veel met elkaar samen. Een gezonde bodem biedt goede omstandigheden voor actieve wortels. Die wortels voeden op hun beurt het bodemleven. Een actief bodemleven helpt bij het beschikbaar maken van voedingsstoffen en bij de opbouw van organische stof. Dat kan uiteindelijk bijdragen aan een vitaler en weerbaarder gewas.
Binnen ‘De Bodem Leeft’ wordt gewerkt vanuit een brede regeneratieve aanpak, waarbij verschillende maatregelen elkaar versterken. Denk aan gerichte bemesting, bodemanalyse en het zo lang mogelijk bedekt en beworteld houden van de bodem. Het onderzoek zelf richt zich echter op twee concrete onderdelen: de inzet van winterharde groenbemestermengsels en de invloed van vruchtwisseling op het bodemleven en de aaltjespopulatie.
Onderzoek 1: wat is de invloed van winterharde groenbemestermengsels?
Groenbemesters worden al veel gebruikt, maar voor akkerbouwers op Veenkoloniale gronden speelt een belangrijke vraag: kun je een mengsel van verschillende groenbemesters gebruiken zonder daarmee schadelijke aaltjes te vermeerderen? Daarbij wordt er vooral gekeken naar Pratylenchus penetrans, aardappelcysten aaltjes en Meloidogyne. Dit zijn plantparasitaire aaltjes die de wortels van gewassen kunnen aantasten en daardoor groei, gezondheid en opbrengst kunnen beïnvloeden.
Dat is niet vanzelfsprekend. Juist vanwege de aaltjesdruk wordt in de praktijk vaak gekozen voor één groenbemestersoort waarvan bekend is dat deze voor een bepaalde schadelijke aaltjessoort geen waardplant is. Een mengsel levert meer variatie in beworteling en kan daarmee interessant zijn voor bodemstructuur en bodemleven, maar kan mogelijk ook het risico op vermeerdering van plantparasitaire aaltjes vergroten.
In De Krim worden daarom verschillende groenbemestervarianten met elkaar vergeleken: braak, een gebruikelijke enkelvoudige groenbemester, bijvoorbeeld Japanse Haver, en twee winterharde mengsels. Deze winterharde mengsels blijven zo lang mogelijk staan en worden in het voorjaar met de Flächenrottemethode oppervlakkig ingewerkt. Daarbij wordt de groene massa kleingemaakt, met micro-organismen behandeld en ondiep door de bovenste bodemlaag gemengd. Flächenrotte is daarmee onderdeel van de regeneratieve werkwijze waarbinnen de groenbemestermengsels worden getest.
Gedurende het onderzoek kijken de onderzoekers van het Louis Bolk Instituut naar het effect op de schadelijke én nuttige aaltjespopulaties, de stikstofdynamiek, bodemkwaliteit en organische stof. Ook wordt gekeken naar de kwaliteit en opbrengst van het volggewas.
Wat zien we tot nu toe?
De eerste resultaten zijn voorzichtig positief. Tot nu toe zijn er geen aanwijzingen dat de onderzochte groenbemestermengsels zorgen voor een vermeerdering van plantparasitaire aaltjes. De saprofage aaltjes (nuttige aaltjes die bijdragen aan een goed functionerend bodemleven en de kringloop van voedingsstoffen) nemen juist in aantal toe.
Maar voor een aantal andere belangrijke vragen is het nog te vroeg. Zo kunnen nog geen harde conclusies worden getrokken over effecten op stikstof, organische stof en de uiteindelijke gewasopbrengst. Juist veranderingen in organische stof en bodemleven hebben tijd nodig; veranderingen in bodemkoolstof zijn doorgaans niet al na één jaar zichtbaar.



